Video's

Deze kooreakker wordt ingezaaid voor half oktober en daarom spreken we van wintergraan. De hier gebruikte graansoort is rogge. Tot 1950 waren in onze regio veel van deze roggeakkers met hun akkerbloemen te vinden. Het inzaaien voor de winter heeft zowel voor de rogge als voor de akkerbloemen grote voordelen. Tot in de winter groeien rogge en akkerbloemen in de vorm van rozetten en leggen in de wortels reservevoedsel aan. Voor de rogge betekent dit dat er in het voorjaar meerdere stengels ontstaan waardoor er een grotere graanopbrengst is. Voor de akkerbloemen betekent dit meestal meer bloemstengels en meer bloemknoppen met als resultaat meer bloemen.

Het kleurenverschil tussen de zomerakker en de korenakker zit hem in de af- en aanwezigheid van de gele ganzenbloem tijdens de hoofdbloei.

In de korenakker groeien soorten als korenbloem, kleine, ruige en gewone klaproos, bolderik, echte kamille, roggelelie, voederwikke, ringelwikke, wilde weit, grote ratelaar, kleine leeuwenklauw, eenjarige hardbloem, vroegeling, zandraketje, akkerviooltje, gewone reigersbek, korensla en windhalm.

 

Zoals te zien is de bosmuis een opportunist in de goede zin van het woord - het muisje maakt maximaal gebruik van de omstandigheden.

De bosmuis zie je niet veel overdag. Het meest actief is het diertje 's nachts of in de schemering. Daarom is het best bijzonder dat deze opnames gemaakt konden worden.

In het najaar van 1992 werd ut Muurke op zijn huidige plekje gezet..

Het Muurke is iets uit het lood gezet om het regenwater beter de kans te geven om in de specie en de stenen te laten trekken.

De voegen tussen de stenen zijn breed gehouden zodat de plantenwortels zich gemakkelijk in de zachte kalkspecie konden vestigen. Daarnaast is er in de specie meer ruimte om regenwater op te slaan.

In het Muurke zelf zijn, tijdens het metselen, ruimtes gelaten voor het zich kunnen verschuilen van insecten en andere diertjes.

Aan de zuidkant van ut Muurke heerst, door de zon, een heel ander klimaat dan aan de noordkant.

Hier is te zien hoe belangrijk milieuvoorwaarden zijn als het gaat om het zich kunnen vestigen en handhaven op een leefplekje. Aan de zonzijde vestigen en handhaven zich de soorten die van de zonlicht en warmte houden.

Zij hebben de aanpassingen om zich, onder zulke vaak extreme omstandigheden, te handhaven. Soorten die deze aanpassingen missen worden geweerd. Aan de noordzijde is het milieu minder extreem. Het is hier vochtiger en schaduwrijker.

Holle wegen komen voor in heuvelachtige gebieden. 
Zij zijn ontstaan omdat het regenwater, vanaf de heuvels, haar weg naar beneden zocht en zoekt. Het water zoekt tijdens haar weg naar beneden de weg van de minste weerstand en voert het zachtste materiaal mee omdat, ergens onderweg, weer achter te laten. 
In de tijd schuurde het water een spoor uit dat na de regen droog viel en als pad kon worden gebruikt. Langs deze holle wegen waren ook loodrechte wanden ontstaan die al snel door planten en dieren als leefgebied in gebruik werden genomen. 
Deze voedselrijkdom is in de tijd kunnen ontstaan omdat de waterstroom steeds grond- en plantendelen van elders meevoerde en dit ergens anders achterliet.

Zomerse beelden, opgenomen in de Heemtuin.