Op de brug van de Bieloopbeek

(11-11-2006) Het is mooie, nevelige augustusmorgen. Zittend op de rand van de betonnen brug over de Bieloopbeek volg ik de zonsopkomst. Het is zo’n plekske waar het heerlijk mijmeren is. Nevels stijgen op uit de beek en de plasjes tegen de Lokker. Een groepje wulpen vliegt over en laten hun wat klaaglijke jodelende roep horen. Ik ben weer blij dat deze vogelsoort, die voor mij onlosmakelijk met mijn geboortestreek verbonden is, te horen om efkes later in de nevelbanden verdwijnen. Ik weet dat ik veel met ze heb. Hun lichtbruine verenpakpak dat zo bij de heide past, hun lange grijze poten, hun licht naar beneden gebogen snavel die bij de mannetjes tien en bij de vrouwtjes wel twaalf cm. lengte haalt. Ik heb ze in vochtige en natte weiden naar bodemdiertjes zien peuren. Ik heb ze op de heide de wulpenliefde zien bedrijven. Ooit heb ik ze urenlang door mijn telescoopkijker bekeken om te weten te komen hoeveel bodemdieren ze uit de grond halen. Een op de vijf pogingen bleek succesvol. Als ik uit mijn wulpenmijmering ont-waak merk ik dat ik gehuld ben in oranje nevels. Overal en aan alles hangen de zilveren parels van dauw. Dit ochtendbeeld is voor mij typisch augustus en september en waardeer ik dit zeer. Frisse ochtenden met dauw, nevel en prachtige zonsopkomsten. Het zacht klaterende water dat over de stuw terug in de Bieloopbeek stort om daarna zijn weg via de beek te vervolgen is een bron van grote morgenrust. Lekker helemaal alleen met het gevoel dat dit alles voor jou is bestemd. In de Lokker en de plaskes in de omgeving, klinkt het gesnater van wilde eenden en het varkensachtige gekreun van een waterral. En plots sta ik tussen duizenden overvliegende spreeuwen die uit het riet van de Lokker opstijgen waar zij de nacht hebben doorgebracht. Het is een machtig geluid. Het is eveneens een prachtige ervaring te beseffen dat al deze spreeuwen de komende dag de regio intrekken om voedsel te zoeken en in de avond hier weer terug te keren om na hun schitterende vliegshow te hebben gegeven het reservaat induiken om bij te praten en te slapen. Wanneer de zon zijn bekende geel heeft gekregen en de nevels weer zijn opgelost, kijk ik efkes of er libellen, waterjuffers en mogelijk vlinders hangen. Door de aanwezige dauw vallen de vele spinnenwebben van de kruisspin op. Het is alsof zij de wakers van de nacht zijn. Met behulp van mijn verrekijker loer ik het bloemenweitje af. Ik zie dat er volop met dauw beladen blauwe knoop staat te bloeien. Vlak langs de rand ontdek ik de eerste bloedrode en zwarte heidelibellen. Een eindje verderop hangen de eerste, met pareltjes van dauw behangen, icarusblauwtjes. De drang om te tellen komt weer in me boven. Ik stop als ik het een en tachtigste vlindertje tel. Op een plekje hangen er maar liefst zes aan een stengeltje. Ik slaak een diepe zucht dat mij dit zo maar overkomt. Ze zijn hier op deze plek gaan hangen omdat gisterenavond de zon hier het laatst heeft geschenen. Na mijn "Mansgevoel" weer een plekje te hebben gegeven, besluit ik om een eindje ver te kuieren. Na een half uur besluit ik om toch terug naar de plek van de icarusblauwtjes terug te keren. Ik hoop er bij te zijn als ze hun vleugeltjes openen. Terug op de plek ga ik, plat om mijn kont in het natte gras, zitten. Ik geniet en wacht op de dingen die gebeuren gaan. Het is alsof zij weten dat ik voor hen ben terug gekomen. En ineens is er dat blauw, hemelsblauw van die mannetjes die hun vleugeltjes openen om de zonnewarmte te vangen die hen in staat zal stellen om te kunnen vliegen. Naast al dat mannetjesblauw verschijnt het bruin van de vrouwtjes. Mijn "Mansgevoel" viert hoogtij totdat ik opschrik van een stem achter me, die me vraagt: “Mans wat is er te zien?” Ik vraag de man om zelf te komen kijken. Samen genieten we van zoveel schoons. Op enig moment, stapt de man op om zijn dagelijkse kuierke af te maken. Ik kies er voor om terug te keren naar de rand van de brug. Van hieruit kan ik naar het vele bloeiende leverkruid, egelwortel en melkeppe kijken. Vooral de bloemen van de engelwortel en melkeppe worden heel druk bezocht door tal van insectensoorten. Ze krioelen door elkaar en snoepen van de nectar die glimt in de kleine bakjes van deze schermbloemigen. Alle schermbloemigen hebben hun nectar in van die open bakjes zodat alle, dus ook kort-tongige insecten, bij de lekkernij kunnen. Wat mij steeds weer opvalt is dat deze verschillende insectensoorten zo verdraagzaam zijn . Elk individu doet zijn diengeske. Op het leverkleurige leverkruid zijn het vooral de vlinders die zich volzuigen met brandstof. Voor ik er erg in heb, ben ik anderhalf uur verder in de tijd, tijd om op te stappen en mijn kuierke te volbrengen. Natuurtip: .Start de wintervoedering voor vogels nu op als je de vogels wil voederen. Terug naar overzicht