Natuursprokkels Februari

(17-02-2007) Ut ossekopke Annie van Sprundel uit Heiningen vroeg me hoe het nou zat met de naam Ossekopke? Volgens Annie spreekt de van Dalen over de zwartkopmees. Ossekopke is de Sprundelse dialectnaam voor het pimpelmeesje. De kleurschakering van het kopje lijkt met wat fantasie op een os met een witte kop. Een zwartkopmees bestaat officieel niet. Hier wordt de koolmees mee bedoeld. Het woordje kool duidt op de deels zwarte kop. In het Sprundelse heeft de koolmees de dialectnaam biediefke meegekregen. De naam biediefke is afkomstig van het gedrag wat koolmezen soms vertonen. Ze tikken met hun snavel tegen bijenkasten. Door het tikken zijn er bijen die een kijkje gaan nemen. Het gevolg is dat de naar buiten komende bij, door de koolmees wordt opgegeten. Bij ons noemt een bij "un bie" en omdat de koolmees de bij “dieft” is de streeknaam biediefke ontstaan. Dialectnamen van planten en dieren kunnen per streek tot zelfs per dorp variëren. In Sprundel noemt men bijvoorbeeld bramen brembiezies, in Sint Willebrord zijn het bizzeme en in Zundert zijn het weer morbizzeme. Grote zilverreiger Mevrouw Oors uit Langeweg zag langs een sloot achter haar huis twee grote zilverreigers. Sinds 1978 broedt de grote zilverreiger weer in ons land. Voorheen moesten we na het verdwijnen van de soort uit ons land het doen met alleen maar enkele zeldzame waarnemingen. Het nieuwe grote natuurgebied, de Oostvaardersplassen in de Flevopolder, bleek een prachtige kraamkamer van deze als broedvogel uit Nederland verdwenen geheel witte reigersoort. Mooi is natuurlijk dat een deel van de reigers tijdens zachte winters niet eens meer naar warmere streken wegtrekken. De meeste reigers overwinteren in de Camarque(Frankrijk) en Zuidoost-Europa. Ook op het landgoed de Pannenhoef en andere West-Brabantse waterrijke natuurgebieden laten ze zich voor en na het broedseizoen regelmatig zien. Het blijven prachtige waarnemingen waar je als liefhebber mee thuis kunt komen. Wachten is nu op de eerste broedgevallen in onze regio. Veldleeuwerik. Op zaterdag 3 februari trof ik op een zandig binnendeurpadje in Sprundel, een veldleeuwerik aan. Rond half februari keren normaal de mannetjes uit hun winterkwartieren uit Afrika terug. Als ze terug zijn, beginnen ze met het afbakenen van een leefgebied. Zij proberen om de andere mannetjes met zang en “leeuwerikgevechten” te verdrijven, en zingen ze uit volle borst de terugkerende vrouwtjes toe, in de hoop er eentje het hof te maken. Ik heb als kind al de “ljeeuwaarkgevechten” als heel bijzonder ervaren. Ze vliegen vanaf de grond, net als mannetjes merels dit in de tuin doen tegen elkaar omhoog totdat een van hen opgeeft en deze nog even wordt nagezeten door de overwinnaar. De overwinnaar stijgt nadien luid tierelierend ten hemel om zijn overwinning te vieren. Deze opmerkelijke tierelierende zangvoordracht kan minuten duren. Soms zingen ze ook vanaf een paaltje of gewoon zomaar vanaf de grond. De verliezer zal na wat te zijn afgekoeld opnieuw de strijd aangaan. Uiteindelijk zal een van de mannetjes het veld moeten ruimen. In de tachtiger jaren van de vorige eeuw heb ik met anderen, in het zuiden van Sprundel, onderzoek gedaan naar leeuweriken. Het was een gebied dat vooral bestond uit kruidenrijke hooi- en weilanden. We troffen daar tussen de 50 en 60 zangposten van mannetjes aan. Wat is er mooier dan op een zonnige dag, liggend op je rug en met een grassprietje in je mond, naar de helblauwe lucht te kijken en te luisteren naar een tierelierende ljeeuwaark die de lente aankondigt? In het kader van de ruilverkaveling werden in dit gebied drie nieuwe boerderijen gebouwd en werd dit gebied anders ingericht en werden de weiden anders gebruikt. Ook de toename van maïsakkers heeft een negatief effect gehad. Het resultaat is dat er geen veldleeuweriken meer broedden. Zachtste januari. Veel mensen gaan er vanuit dat de zachtste januarimaand sinds drie eeuwen ons onmiddellijk laat zien dat de natuur daar tast- en zichtbaar op reageert. Het was voor ons vooral het prettige gevoel van een aangename temperatuur. Natuurlijk staan de vroegste bloeiers als krokusjes en sneeuwklokjes eerder in bloei dan voorgaande jaren. Maar dat er nu al soorten zouden bloeien die normaal eind maart of begin april bloeien is een vergissing. Zo snel werkt het niet op korte termijn, wel op wat langere termijn. Het is vooral de toename van het daglicht dat de biologische klokjes stuurt. Daglicht is een constantere factor dan de temperatuur. Zingende vink Op vrijdagmorgen 9 februari hoorde ik de eerste volledige vinkenzang. Natuurtip: Neem de moeite en tijd en ga op pad om de “tierelierder” te ontmoeten. Terug naar overzicht