Mijn eerste ontmoeting met de wespenspin

(23-09-2006) Ieder van ons heeft zo zijn lijstje van verlangens en ook zijn mijlpaaltjes in het leven. Ook ik heb dat lijstje en mijlpaaltjes. Het is 1980. In een aantal uitgaven van natuurbeschermingsorganisaties wordt melding gemaakt dat de eerste wespen- of tijgerspin in het zuiden van Limburg is waargenomen. Ook de eerste foto van deze spinnensoort is dan te zien. Een mooie spin die op zijn lijfje dunne zwarte en gele, horizontale streepjes heeft, en dus qua kleurenpatroon op een wesp en tijger lijkt. Het een spinnensoort die vanuit Zuid -Europa in ons land was terecht gekomen. Er wordt rekening mee gehouden dat de spin mogelijk met een vakantieganger is meegelift. De verspreiding van spinnen vindt vaak op een prachtige manier plaats. Jonge spinnetjes laten via een spinselkliertje, dat zich aan hun achterlijfje bevindt, een dun draadje ontstaan. De wind krijgt op deze manier vat op het draadje en spinnetje en zo voert de wind het jonge spinnetje mee naar verre oorden. Zijn de leefomstandigheden op de plek waar ze landen gunstig dan proberen zij zich daar te vestigen. In de daarop volgende jaren worden er steeds meer waarnemingen gedaan. Vooral het zuiden van ons land heeft tot nu toe de voorkeur als vestigingsgebied. Vanaf dat moment was er in mij het verlangen dat ik hem ooit zou mogen ontmoeten. Ik heb er tot de morgen van 17 augustus 2005 op mogen wachten. Een stemmetje in me zei me al dagen om naar de Pannenhoef te gaan en de Bak te bezoeken. Nadat ik in 1985 de Pannenhoef verliet om de heemtuin aan te gaan leggen werd me gevraagd om hier en daar de ontwikkelingen van het plantendek in de gaten te houden. Ik maakte daar minimaal gebruik van. Het is nog donker als ik via d’n Eikant naar de Pannenhoef fiets. Onderweg ervaar ik dit als en vorm van welzijn. De maan en sterren begeleiden mij verder door de Lokkerstraat en Lokkerberg. Ik stop efkes om via de schuilwand een blik van de Lokker te ervaren. Een ransuil komt vlak langs. Terug de fiets op richting de Bak. De Bak maakt samen met het herstelde Wildertven onderdeel uit van wat ik ben gaan noemen de Heuveltjes. Het is een van de allermooiste landschappen die ik in onze streek ken. Ik kom er wekelijks. Het is een prachtig glooiend landschap, gelegen tussen het beekdal van de Zwarte blikloop en dat van de Bieloopbeek. Het wit zandpad slingert zich in een sterk afwisselend landschap over de hoogste delen. Ik besef maar al te goed dat de mens ooit dit zandpad heeft ontwikkeld om vooral droge voeten te houden. Door zijn glooiende karakter, zijn droog naar nat en zijn verspreid staande begroeiing maakt dit alles zo boeiend. En bijna altijd zijn er de nevels die het landschap wat mysterieus maken. De zonsopkomst is meer dan de moeite waard. Bij de Bak aangekomen, stijgen de lichte nevels uit het venwater en hinnikt een dodaarsje. Het klinkt als een welkom. Ik loop langs de paadjes waar de grazende paarden langs lopen om een kijkje te nemen. Na enkele meters op zo’n paadje te hebben gelopen, kan ik mijn ogen nauwelijks geloven. Overal waar ik kijk, hangen spinnenwebben van de wespenspin. Met een bonzend hart begin ik weer te tellen en ik eindig bij iets boven de honderd. Ik heb wel vijf keer de paardenpaadjes belopen. Bij het ontdekken van zoveel wespenspinnen kreeg ik hetzelfde gevoel als toen mijn vrouw tegen me vertelde dat zij een kindje van mij bij zich droeg. Ik heb er bij tientallen op een knie bij gezeten en intens genoten van hun schoonheid. Ik heb hun opvallende webben met de daarin de extra dikke zigzag draden bewonderd. Ik ontdekte ook hun eerste bruinige cocons ter grote van een gemiddelde walnoot. Je moet toch iets verzinnen om deze cocons te beschreven. Ik had gelezen dat ze vol met eitjes zaten en dat ieder spin er meerdere maakte en dat mocht ik dat nu meemaken. Ik proefde het geluk dat een kleine veldsprinkhaan in het web sprong waar ik net van zat te genieten. De wespenspin was zo ter plaatse en wikkelde de prooi heel snel in zijn kleverige draden. Wat mij daarbij opviel was dat het nu bundels met draden waren, die wel een halve cm breed waren, waarmee de sprinkhaan werd ingepakt. Hoe de sprinkhaan zich ook verzette, er was geen ontkomen meer aan. Nadat de sprinkhaan stevig was in gepakt beet de spin hem in zijn zachte lijf en spoot er een vloeistof in, die weke delen in opzuigbare vloeistof zal herscheppen en later door de spin kan worden opgezogen. Het kostte mij heel wat moeite om na anderhalf uur van intens genieten op te stappen. Met een nieuw mijlpaaltje op zak ben ik heel vrolijk naar Sprundel gefietst en mij vrouw als eerste vertelt over “mijn” wespenspinnen. Natuurtip: Let op de spinnen en onthoud dat zij net zoveel gewicht aan insecten eten als het gewicht van alle landgenoten . •terug naar Natuurwerk

Terug naar overzicht