De vleermuizen van fort Sabina

(14-10-2006) Sinds een aantal jaren ben ik lid van de provinciale vleermuiswerkgroep. Voor het eerst was ik in de gelegenheid een wintertelling van vleermuizen mee te mogen maken. Na aankomst bij het fort Sabina, onder Willemstad, is het me opgevallen dat we met 19 mensen zijn. Genietend van de mooie knotwilgen en elzenbomen, die het fort rijk is, wordt de groep in twee groepen verdeeld om op zoek te gaan naar overwinterende en slapende vleermuizen. Ik ben zelf een beetje zenuwachtig en heel benieuwd naar wat ik te zien zal krijgen. In het door onze groep te onderzoeken fortgedeelte, worden alle kieren en gaatjes fanatiek met zaklampen beschenen en onderzocht. Toon, ‘n vriend van me en ik blijven achteraan. De eerste onderzochte ruimte levert echter niets op. Via een gang, die erg veel op een grote rioolbuis lijkt, komen we in een andere ruimte terecht. Opvallend is dat iedereen met een zaklamp telkens ieder gaatje beschijnt en opnieuw onderzoekt. Het is of ze elkaar niet vertrouwen. Nadat we een 15-tal meter in de pijp zijn, roept iemand dat hij een vleermuis ontdekt heeft. Enige vorm van lichte paniek ontstaat als blijkt dat het erg moeilijk is om elkaar in de smalle gang te passeren. In een grotere ruimte aangekomen, vertelt iemand dat achter een oud vensterluik, een vleermuis ontdekt is. Heel voorzichtig wordt het oude luik van de muur losgehaald en rechtgezet. Tijdens deze handeling valt het slapende diertje op de grond. Iedereen is er mee begaan dat het diertje op de grond is gevallen. Voorzichtig wordt het diertje opgepakt. Nadat gekeken is om welke soort het gaat wordt het diertje weer opgehangen. Het blijkt om een baardvleermuis te gaan. Ze wordt herkend aan haar zwarte snuitje, haar donkere rug en de vorm van haar oortjes. Deze handelingen mogen nooit te lang duren in verband met de warmte die wij mensen uitstralen. Als ze zou ontwaken zou dat haar dood kunnen betekenen. In deze gang worden geen diertjes meer ontdekt. Aan het einde van de gang bevindt zich een ruimte van ongeveer 4x3x2 meter. Hier zijn een aantal vensters dichtgemetseld. Plots klinkt er een gedempte roep van vreugde als iemand in een spleet, die zich in het betonnen gewelf bevindt weer een diertje ontdekt heeft. Met zijn rosse rug en roze neusje blijkt het deze keer om een watervleermuisje te gaan. Als ik na enkele minuten met behulp van het licht van mijn zaklamp, het diertje te zien krijg, valt mijn mond werkelijk open. Zo'n klein diertje, dat zich verborgen heeft in een spleetje waar je nauwelijks met je vinger in zou kunnen. Het zijn volgens menselijke maatstaven niet, althans voor wat hun uiterlijk betreft, de knapste dieren, maar ze zijn wel heel mooi. Zo mooi dat ik er nog meer ben van gaan houden. Alles is zo klein en zo teer aan ze. In een ontluchtingskoker, die zich in de zoldering bevindt, die overigens buiten met een betontegel is dicht gelegd, hangen er vijf op een kluitje bij elkaar. Mooi is zo'n handvolleke met kleine wondertjes. Hun bruinrode vachtjes, de roze snuitjes en zwarte armpjes geven aan dat het watervleermuisjes zijn. Nog drie diertjes worden gevonden. Ze hebben zich een plekje verschaft in de ruimte die ontstaan is tussen de wand en de stenen waarmee enkele vensters zijn dichtgemetseld. Ik had me hun manier van het overwinteren heel anders voorgesteld, n.l. hangend aan de zolderingen. Als laatste bewonder ik het laatste diertje. Heel even opent het zijn speldenknop kleine oogjes en laat nog een trekje rondom zijn neusje zien. Ik doe snel het licht uit en denk: " Het ga je goed". Aan de zoldering hangt wel een slapende dagpauwoog. Gek is dat niemand daar oog voor heeft of daar enige aandacht aan schenkt. Vreemde vogels zijn en blijven mensen toch. Maar ja, het zal wel aan mij liggen. Als we ons even later buiten op het gras bevinden, lopen we naar boven om zo een andere bunker te onderzoeken. Plots flitst er een havikvrouwtje langs. Kennelijk is het buiten mij iedereen ontgaan. In de top van een iep baltst een zwarte kraai. Niemand besteedt er aandacht aan. Ik sukkel wat achterop. Op een van de vele betonnen randen van de bunkers groeien prachtige korstmossen met de kleuren geel en grijsgroen. Iedereen loopt er weer argeloos aan voorbij. Na een verblijf van anderhalf uur in het fort staan we weer buiten. Iedereen schijnt erg tevreden zijn. Wat mij opvalt is dat de meeste mensen mijn inziens nauwelijks genoten hebben van deze voor mij bijzondere ervaringen van daarnet. Ik heb het idee dat het hen vooral om de aantallen gaat en niet zozeer om de schoonheid van deze zo unieke vliegende zoogdiertjes. Voor mij een hele bijzondere en een rijke ervaring. Natuurtip: Geniet van de vleermuisjes en wees niet bang, ze hebben het niet op u gemunt, hun voedsel bestaat uit insecten. Terug naar overzicht