De koorepikker

(12-08-2006) In de berm langs het zandpad heerst rust, boven het poeltje in het vochtige weitje vliegt een mooie grote “koorepikker”. Zijn wel 8 cm lange achterlijf is prachtig blauw gekleurd. Al vliegend, probeert hij vliegen en andere insecten te vangen. Op het topje van een van de prachtig paars bloeiende kattenstaarten strijkt hij neer. Ik kan nu mooi z'n twee paar doorzichtige vleugels zien. Ze zijn van het zuiverste zilver. De vleugels zijn voorzien van een netwerk van aderen. Opvallend is de gouden voorrand van de voorvleugels. Dit is een van de beste kenmerken van de grote keizerlibel. Mijn gedachte gaat terug naar mijn jeugd. Ik was negen toen, op de morgen van 1 februari 1953, de radio meldde dat een groot deel van Zeeland en West-Brabant onder water stond. Voor het eerst maakte ik kennis met een watersnoodramp. Enkele dagen later verschenen boven Sprundel grote, hard brommende “koorepikkers”. Het bleken de eerste hefschroefvliegtuigen te zijn. “Koorepikkers”, daar was ik mee opgegroeid. Het was voor mij de smaak van de zomervakantie wanneer de “koorepikker” snel, wendbaar en stil konden staan en ook achteruit konden vliegen. Graag vlogen deze libellen boven de vele korenvelden. Ze scheerden boven en tussen de korenaren op zoek naar insecten. Ik weet me ook te herinneren dat ze soms zomaar bij mij op mijn schouder of arm kwamen zitten. Ik kon dan mooi de geaderde, doorzichtige vleugels en de soms prachtige groene, gele en rode lijfjes en de grote hemelsblauwe ogen zien. Jaren later kwam ik er achter dat wij mensen het ontwikkelen van de helikopter, want zo heet tegenwoordig het vroegere hefschroefvliegtuig uit mijn jeugd, hebben afgekeken van de libellen. Kuierend over het zandweggeske weet ik dat de grote keizerlibel de grootste libellensoort is die wij in de Nederlands natuur kunnen ontmoeten. Ik kan met behulp van m’n kijker goed zien dat de groene ogen, die bovenaan blauw zijn, uit duizenden lensjes bestaan. Plots verlaat hij de kattenstaart en vliegt naar de overzijde van de poel. Uren later verschijnt een tweede libel. Deze libel heeft geen blauw, maar een groenbruin achterlijf met groen kleurige ogen. Het mannetje vliegt er direct op af. Hun vleugels maken, als ze elkaar raken een knisperend en ritselend geluid. Even vliegen ze af en aan, dan weer alleen, dan weer met z'n tweetjes insecten vangend. Heerlijk in de zon koesteren om een eindje later te paren. Het vrouwtje zet zich neer op ondergedoken waterplanten die dicht tegen het wateroppervlak groeien. Ze steekt haar groene achterlijf in het water, buigt dit, waarna even later haar lijfje schokkende bewegingen maakt. Minuten lang is zij bezig met eitjes leggen, onderbreekt dit af en toe om daarna weer opnieuw met eileggen te beginnen. Het is voor haar een kwetsbaar gebeuren omdat de groene kikkers in haar buurt telkens uiterst langzaam haar benaderen met de bedoeling haar te pakken en naar binnen te werken. Gelukkig voor haar en haar nazaten is ze heel attent en vliegt een eindje verderop als de kikkers haar te dicht naderen. De ontwikkeling van eitje naar volwassen insect zal voor de keizerlibel twee seizoenen duren. Terwijl langs de kant nog een paar groene kikkers kwaken, peuren op het koninginnekruid, met z'n mooie leverkleurige bloemen, meerdere vlinders naar nectar. Boven het vochtige weitje vangen de sierlijke boerenzwaluwen insecten voor hun jongen die op het prikkeldraad zitten die langs het slootje staat. In het ondiepe slootje loopt een wezeltje op zoek naar wat eetbaars. Nog even geniet ik van de twee “koorepikkers”. Hun leven zit er zo goed als op, hun taak is bijna volbracht. Ik weet me nog goed te herinneren dat de mensen in de streek dachten dat “koorepikkers” op mensen afkwamen om hen te bijten. Gelukkig berust dit op een groot misverstand. De keizerlibel kan een snelheid van 60 kilometer per uur halen. Natuurtip: Geniet van de libellen en waterjuffers. Ze zijn onschuldig en ontzettend mooi en verrijken onze leefomgeving. Tot in november zijn ze vaak actief. Terug naar overzicht